Midden in Oostende staat een huis waarvan de gevel niet meteen verraadt hoeveel levens het al heeft gehad. Langestraat 69 was herenhuis, koninklijke verblijfplaats, kantoor, school en uiteindelijk museum. Eén gebeurtenis blijft echter sterker dan alle andere met het gebouw verbonden: hier overleed op 11 oktober 1850 Louise-Marie, de eerste koningin der Belgen.
De kamer waar zij haar laatste dagen doorbracht, maakt vandaag nog deel uit van het Stadsmuseum. Daardoor is het verhaal van koningin Louise-Marie in Oostende geen geschiedenis die alleen in boeken voortleeft. De plek zelf bestaat nog.
Een herenhuis krijgt plots een koning over de vloer
Het gebouw was aanvankelijk helemaal niet als paleis ontworpen. In de vroege negentiende eeuw kende het verschillende eigenaars en bewoners, tot Edouard-Jean Serruys het in oktober 1815 aankocht en er zelf ging wonen.
De belangrijke verandering kwam in augustus 1834. Koning Leopold I en koningin Louise-Marie verbleven toen in Oostende en het huis werd aan het koninklijk paar ter beschikking gesteld. De stad wilde zich duidelijk als koninklijke verblijfplaats aan zee profileren.
Serruys overleed nog datzelfde jaar. Zijn weduwe sloot op 12 maart 1835 een huurcontract met de secretaris van de koning. Het ging aanvankelijk om twee jaar, tegen een jaarlijkse huurprijs van 3.000 frank die in metalen munten moest worden betaald. Het contract werd later verlengd.
Daarmee werd een particuliere woning een echte koninklijke residentie. Het complex werd aangepast aan het verblijf van het hof en moest niet alleen ruimte bieden aan koning en koningin, maar ook aan mensen uit hun gevolg.
De band tussen het Belgische koningshuis en Oostende kreeg zo al vroeg een tastbare plek in het hart van de stad.
Louise-Marie zoekt geregeld de kust op
Louise-Marie d’Orléans was sinds 1832 koningin der Belgen en verbleef geregeld in Oostende. De residentie aan de Langestraat vormde daarbij een van de plaatsen die nauw met haar naam verbonden raakte.
Ook buitenlandse vorsten kwamen in Oostende langs. De Britse koningin Victoria en haar echtgenoot Albert bezochten de kuststad in september 1843. Het toont hoe Oostende in die jaren steeds nadrukkelijker een plaats kreeg binnen het leven en de contacten van het Belgische hof.
Voor Louise-Marie kreeg het huis enkele jaren later een heel andere betekenis. Haar gezondheid ging achteruit en zij verbleef opnieuw in Oostende. Op 11 oktober 1850 overleed ze in de residentie aan de Langestraat. Ze was pas 38 jaar.
Daarmee verloor België zijn eerste koningin in een huis dat oorspronkelijk niets meer dan een particuliere Oostendse woning was geweest.
Juist dat contrast maakt de plek bijzonder. Nationale geschiedenis speelde zich hier niet af in een groot paleis in Brussel, maar in een gebouw midden in Oostende.
Het paleis verliest zijn koninklijke functie
Na de dood van Louise-Marie bleef het gebouw nog lange tijd met de koninklijke familie verbonden. Leopold II werd later eigenaar, maar intussen veranderde ook het verblijf van de vorsten aan zee. Dichter bij de kust kwam een nieuwe koninklijke residentie en vanaf het einde van de jaren 1870 verloor de Langestraat geleidelijk haar centrale rol.
Het gebouw verdween daarmee niet uit het Oostendse leven. Integendeel. Doorheen de twintigste eeuw kreeg het een opmerkelijke reeks andere functies.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er kantoren ondergebracht. Later trok Bruggen en Wegen in het gebouw en vervolgens kreeg het onder meer een onderwijsfunctie. Leerlingen en studenten kwamen er voor beroepsonderwijs en opleidingen die helemaal niets meer met het koningshuis te maken hadden.
Zo veranderde een voormalige koninklijke residentie opnieuw in een gebouw dat dagelijks door Oostendenaars werd gebruikt.
De historische waarde raakte intussen niet vergeten. Het voormalige paleis werd in de twintigste eeuw als monument beschermd en uiteindelijk kreeg het opnieuw een bestemming waarbij zijn verleden centraal kwam te staan.
Van koninklijk huis naar stadsmuseum
In de jaren negentig werd beslist om het Oostends Historisch Museum De Plate in het gebouw onder te brengen. Na verschillende bouwkundige en financiële moeilijkheden kon het museum op 9 februari 2002 opnieuw voor het publiek openen.
Dat leverde een opmerkelijke samenloop op. Dezelfde kamers waarin ooit leden van het Belgische hof verbleven, werden nu gebruikt om het verleden van Oostende te bewaren en te tonen.
Op de eerste verdieping bleef bovendien de kamer verbonden met Louise-Marie bewaard. Bezoekers staan er op de plek waar de eerste Belgische koningin in oktober 1850 overleed.
Ook elders in Oostende bleef haar herinnering zichtbaar. In de Sint-Petrus- en Pauluskerk bevindt zich het praalgraf van Louise-Marie, vervaardigd door beeldhouwer Charles-August Fraikin. Het monument overleefde de brand die de oude kerk in 1896 verwoestte en kreeg later een plaats in de Koninginnekapel bij de nieuwe kerk.
Daardoor liggen twee belangrijke sporen van koningin Louise-Marie in Oostende op wandelafstand van elkaar: de kamer waar haar leven eindigde en het monument dat de stad nadien aan haar herinnering bleef verbinden.
Een stadsgeschiedenis achter één gevel
Langestraat 69 is interessant omdat het gebouw veel meer vertelt dan alleen het verhaal van een vorstin. De verschillende functies volgen bijna twee eeuwen Oostendse geschiedenis. Eerst woonde er een welgestelde burger, daarna kwam het koninklijk hof, vervolgens ambtenaren, leerlingen en studenten, en uiteindelijk museumbezoekers.
Maar de gebeurtenis van 11 oktober 1850 blijft het huis zijn uitzonderlijke plaats geven.
Louise-Marie was de eerste koningin van het jonge België. Dat haar laatste hoofdstuk niet in Brussel, maar aan de Belgische kust werd geschreven, verbindt een nationaal verhaal rechtstreeks met Oostende.
Wie vandaag door de deur van het Stadsmuseum naar binnen gaat, stapt daardoor niet alleen een museum binnen.
Hij betreedt ook een voormalig koninklijk huis waarin één kamer sinds 1850 nooit meer helemaal een gewone kamer kon worden.





