Op 14 juli 1872 ging in Blankenberge een nieuwe vuurtoren aan. Niet meer op een duintop bij het casino, maar vlak bij de net aangelegde havengeul. Het Rijk had er twee jaar eerder een achthoekige toren van Boomse baksteen laten zetten: zeventien meter hoog, muren van anderhalve meter dik, honderdeenentwintig treden tot bij de lantaarn die uit Birmingham kwam.
Voor de vissers die vanaf dan een echte schuilhaven hadden, betekende dat licht het verschil tussen thuiskomen en verdwalen in de duisternis. De stad zelf groeide tegelijk uit tot badplaats. De zeedijk vulde zich met hotels, en later zou er zelfs een pier in zee komen. Maar eerst was er dat bakstenen baken aan de westkant van de dijk.
Eerst een panne op een paal
Blankenberge kent al eeuwen een vuurtoren of vierboete, al stond die niet altijd op dezelfde plek. In 1394 zette de stadsmagistraat een primitieve vuurmast ten oosten van de huidige Kerkstraat, midden in de duinen. Bovenop de paal hing een eenvoudige lantaarn met een aarden “vierpanne”. Daarin brandde een mengsel van olie en reuzel, of een wiek van touw en lijnwas.
Later volgde een stenen toren waar stro brandde. Die brandde regelmatig uit. In 1526 bouwde men opnieuw in steen, naar het model van de vierboeten in Oostende en Nieuwpoort. Ook dan waren branden schering en inslag. In de Oostenrijkse tijd, rond 1771, kwam er opnieuw een stenen vuurtoren van de stad. Die bleek te dicht bij de vissersbuurt te staan en werd in 1772 oostwaarts verplaatst. Rond 1795 was die toren vermoedelijk door oorlogsfeiten volledig vervallen.
Fort Napoleon deed tot 1872 dienst als licht
In 1810 liet het Napoleontische bewind in de duinen, ter hoogte van het latere casino, een versterkte uitkijktoren bouwen: Fort Napoleon. Het hoorde bij de continentale blokkade tegen Engeland. Onder het Hollandse bestuur kwam er in 1817 een zeelicht bovenop. Dat licht bleef tot 1872 in gebruik, tot de nieuwe toren bij de haven het overnam.
De schuilhaven zelf was tussen 1863 en 1871 aangelegd. Aan het westelijke uiteinde van de Zeedijk kwam ook een staketsel, voltooid in 1872. Het fort in de duinen werd datzelfde jaar afgebroken: als vuurtoren was het overbodig geworden. Op die plek plantte de gemeente later een polyvalent complex met onder meer stadhuis en casino.
De nieuwe toren stond dus precies waar de vissersvloot hem nodig had: naast de havengeul, met onderaan het verblijf van de vuurtorenwachter en een stapelplaats voor materiaal. De funderingsvoet mat tien vierkante meter. Geen siergebouw, wel een werkpaard van baksteen en ijzer.
Van vast licht naar knipperlicht
Op 1 juli 1895 verdween het staande licht. Voortaan knipperde de lantaarn om de vijftien seconden, zodat schepen de Blankenbergse vuurtoren ’s nachts van andere bakens konden onderscheiden. Overdag bleef de achthoekige bakstenen romp herkenbaar aan de westkant van de dijk, tussen haven en hotels.
In 1944 bliezen de Duitse bezetters de toren op. Op die plek moesten loopgraven komen voor de Atlantikwal. De huidige modernistische vuurtoren, eveneens aan de Zeedijk bij de haven, ging in de jaren 1950 in gebruik. Sinds september 1994 huist er ook een nautisch centrum met museum.
Wie vandaag aan de havengeul staat, kijkt dus naar een naoorlogs baken. Het verhaal van 14 juli 1872 zit in de steen die verdween, en in de haven die toen eindelijk een eigen licht kreeg.
Meer nieuws uit Blankenberge? Volg Lokaal Nieuws Blankenberge op Facebook.




