In de zomer van 1894 verdrongen zich al 180.000 bezoekers op de ijzeren brug boven de Noordzee. Blankenberge had net iets wat geen andere badplaats op het vasteland had: een echte pier, 350 meter lang, met een paviljoen aan het uiteinde waar je toegangsgeld betaalde voor feestzaal en lokalen.
Burgemeester Notebaert noemde het bij de voorlopige inhuldiging op 15 juli 1894 “een nieuw en machtig reklaam” voor de stad. Engeland kende al langer plezierpieren; Blankenberge werd de eerste op het Europese continent. Samen met Scheveningen blijft die continentale lijn uitzonderlijk.
Pier aan de oostkant van de Zeedijk
Dat was niet vanzelfsprekend. Eerdere voorstellen voor een pier midden op de badplaats werden afgewezen. Het stadsbestuur vreesde dat een centrale constructie Blankenberge in tweeën zou splitsen. Pas toen de Société Anonyme du Pier de Blankenberghe een ontwerp indiende aan de oostzijde van de Zeedijk, ging de stad mee. De Belgische regering gaf in 1889 toestemming.
Brugse ingenieur E. Wyhowski en Brusselse architect E. Hellemans tekenden de gietijzeren constructie. Hellemans financierde mee en had eerder meegewerkt aan het Blankenbergse casino van 1884-1886. De vennootschap bouwde schuin tegenover de pier ook het Pierhotel.
Het complex had drie delen: een gemetseld halfrond bij de ingang, bedoeld voor een zeewaterzwembad dat er nooit kwam; een brug van zeventien stukken op ijzeren palen, met een verbreding voor een muziekkiosk; en een achtkantig platform van zestig bij zestig meter met paviljoen. Wie erover liep, stond boven de branding. De privé-uitbating vroeg kaartjes: wandelen boven zee was geen gratis kermisattractie. Voor Blankenberge betekende dat meteen een nieuwe trekpleister naast strand en casino.
Brand in de oorlog, beton in de jaren dertig
De ijzeren pier bleef geen twintig jaar staan. In 1915 stak de Duitse bezetter hem in brand. De vrees was dat vijandelijke troepen de constructie als aanlegsteiger zouden gebruiken. Wat restte, was een skelet op de Zeedijk.
Na de oorlog kocht de stad het wrak van de vroegere eigenaar. Met de schadevergoeding volgde nieuwbouw. Tussen 1931 en 1933 kwam er een pier in gewapend beton, naar ontwerp van conducteur Jules Soete, bijgestaan door Gentse hoogleraar G. Magnel en ingenieur-architect A. Bouquet. Het laboratorium Magnel speelde een rol in die vroege betonbouw in een agressief zeeklimaat. De grillige Oosterse motieven van 1894 maakten plaats voor strakkere art-deco. De inhuldiging volgde in juli 1933.
Die betonnen pier overleefde de Tweede Wereldoorlog, maar niet het zout en het weer. Betonrot dwong later tot herstellingen; het kopgebouw werd rond de eeuwwisseling vernieuwd. De wandelbrug van 350 meter blijft het enige bouwwerk van dit type aan de Vlaamse kust.
Wie vandaag vanaf de Zeedijk de zee in kijkt, ziet geen museumstuk achter glas. Wel een stuk badplaatsgeschiedenis dat in 1894 begon met toegangskaartjes, een muziekkiosk en 180.000 nieuwsgierige voeten op ijzer boven het water. Bronnen: Inventaris Onroerend Erfgoed; Stad Blankenberge.





