Op het strand van Blankenberge gebeurde rond 1840 iets wat vandaag bijna vanzelfsprekend lijkt, maar toen een breuk betekende met eeuwen kustleven. Vissers gebruikten het strand voor hun schuiten. Tegelijk kwamen steeds meer bezoekers naar zee om te baden. Die twee werelden begonnen elkaar letterlijk in de weg te zitten.
Het gemeentebestuur koos uiteindelijk ruimte voor het groeiende badtoerisme in Blankenberge. In 1840 kwam er een politiereglement dat vissers verplichtte hun boten tijdens het zomerseizoen te verplaatsen zodat het strand vrij bleef voor badgasten. Het was een vroeg teken van een verandering die Blankenberge uiteindelijk van vissersstad tot badplaats zou maken.
Vier badwagens kondigden een nieuwe tijd aan
Blankenberge leefde eeuwenlang in belangrijke mate van de visserij. Eind dertiende eeuw telde de lokale vissersvloot al meer dan zestig vaartuigen. Veel later, in de achttiende eeuw, woonde een groot deel van de vissersbevolking nog in kleine, lage huizen en bleef het bestaan hard.
De vissers voeren met platboomde schuiten die vaak niet van henzelf waren. Een deel van hun opbrengst ging naar reders en ook materiaal zoals touwen, garen, zeilen en teer moesten zij bij die reders kopen.
Toch bleef vissen een familietraditie. Kinderen stapten in het beroep van hun vader en het aantal schuiten nam toe. Het strand hoorde daarbij bij het werk.
Maar in de negentiende eeuw verscheen een nieuwe gebruiker.
In 1835 hield het gemeentebestuur een gedeelte van het strand vrij voor zeebaden. Tijdens de zomer kwamen bezoekers naar Blankenberge voor een zeekuur. Drie jaar later, in 1838, verschenen de eerste vier mobiele badcabines op het strand.
Het waren de eerste vier badwagens van een toeristische ontwikkeling die steeds meer ruimte zou vragen.
In 1840 moeten de vissers plaatsmaken
De omslag werd snel zichtbaar.
In 1840 stelde Blankenberge een politiereglement op waarmee vissers tijdens de zomer verplicht werden hun schuiten te verleggen. De reden was eenvoudig: het strand moest vrij zijn voor de mensen die er kwamen baden.
Voor een vissersgemeenschap was dat geen klein detail.
Eeuwenlang was de kust in de eerste plaats een plek geweest waar mensen hun brood verdienden. Nu kreeg dezelfde strook zand steeds nadrukkelijker een tweede functie. Bezoekers kwamen niet om er te werken, maar om de zee op te zoeken voor gezondheid, ontspanning en later ook plezier.
De vissers verdwenen daarmee niet meteen uit Blankenberge. Integendeel. Hun bedrijf bleef nog lang een wezenlijk onderdeel van de stad. Maar de prioriteiten aan het zeefront begonnen te verschuiven.
Het toerisme had ruimte nodig. En die ruimte kwam onder meer van het strand waarop de vissers hun schuiten gebruikten.
Badgasten wilden ook kunnen wandelen
Alleen kunnen baden bleek bovendien niet genoeg.
Het zeefront bestond toen nog grotendeels uit duingebied. Oostende beschikte al over een promenade waar bezoekers langs zee konden wandelen.
Blankenberge had zoiets niet.
De burgemeester waarschuwde dat badgasten daarover klaagden en vreesde zelfs dat de achterstand het plaatselijke toerisme schade kon berokkenen. Hij pleitte daarom voor een houten wandelvloer op het duin.
De gemeenteraad stemde toe.
Tijdens de zomer van 1840 werd die planken vloer aangelegd. Drie jaar later liet Openbare Werken het duin tegenover de gemeente effenen en met steen bekleden. Die stenen dijk werd vervolgens naar het oosten en westen uitgebreid en kreeg trappen.
In amper enkele jaren veranderde daardoor veel: eerst badwagens, vervolgens een vrijgemaakt strand, daarna een promenade en uiteindelijk een stenen zeedijk.
De badplaats kreeg letterlijk vorm.
Hotels, paviljoen en later de trein
Met de bezoekers kwamen ook andere behoeften.
Begin jaren 1840 konden vakantiegangers onder meer terecht in Hôtel de Belle Vue in de Kerkstraat, Hôtel de Bruges in de Vissersstraat en Hôtel des Bains tegenover het stadhuis. Daarnaast verhuurden inwoners kamers.
Ook ontspanning werd belangrijker.
Blankenbergenaar De Rycker kreeg in 1844 toestemming om aan het zeefront een paviljoen te bouwen. Dat kwam er uiteindelijk tegen het badseizoen van 1850 en werd een ontmoetingsplaats met zicht op zee.
In 1859 opende vervolgens het kursaal. Het bood onder meer een feestzaal, restaurant, leeszaal, muziekzaal, biljartzaal en een salon waar bezoekers elkaar konden ontmoeten.
De grote doorbraak volgde in 1863 met de spoorlijn tussen Brugge en Blankenberge. Op zon- en feestdagen werden extra treinen ingelegd en nam het aantal dagjesmensen sterk toe.
Een plek waar enkele tientallen jaren eerder vooral vissersschuiten het beeld bepaalden, moest steeds meer bezoekers ontvangen.
Van werkstrand naar badstrand
Aan het einde van de negentiende eeuw was de verandering niet meer te missen. Villa’s, grote hotels en openbare gebouwen bepaalden steeds meer het straatbeeld. Ook de Pier en andere herkenbare onderdelen van Blankenberge kwamen voort uit die groei als badplaats.
De visserij bleef nog bestaan, maar kreeg uiteindelijk een eigen schuilhaven. De aanleg daarvan werd in 1861 goedgekeurd. De werken begonnen in 1863 en waren in 1871 klaar.
Daarmee kregen ook de vissers een andere plaats in de stad.
Het opvallende is dat die grote omslag al veel eerder zichtbaar werd in één praktisch besluit.
In 1840 moesten vissers hun schuiten tijdens de zomer van het strand halen om ruimte te maken voor baders.
Het lijkt vandaag een voetnoot. Maar precies daar botsen twee versies van Blankenberge op elkaar: de oude kuststad die van de zee leefde en de nieuwe badplaats die mensen naar diezelfde zee wilde lokken.
Badtoerisme in Blankenberge veranderde dus niet alleen wat bezoekers deden. Het veranderde ook wie welke plaats aan de kust kreeg.



