Het opkomend toerisme veranderde Heist, Knokke, Duinbergen en het Zoute niet in één zomer. Het begon met badkarren, herbergen en ezeltjes op het strand, maar groeide uit tot hotels, tramlijnen, villa’s, casino’s en hele nieuwe wijken aan zee.
Voor inwoners betekende dat meer dan vakantiegangers op de dijk. Straten werden geplaveid, pompen geplaatst, dijken aangelegd en handelszaken gebouwd. De kust werd niet alleen een plek om te wonen of te werken, maar ook een plek om gasten te ontvangen.
Heist zette vroeg de stap naar zee
In Heist nam het aantal bezoekers in de negentiende eeuw snel toe. Al in 1839 herinnerde de gouverneur het gemeentebestuur eraan dat herbergiers en logementhouders hun gasten moesten registreren. In 1857 kwam er een politiereglement voor de zeebaden.
Daarna volgden werken die vandaag nog tonen hoe sterk toerisme de gemeente vormde. Er kwamen geplaveide straten, openbare waterpompen, lantaarns, rustbanken op de dijk en plannen voor een nieuwe kerk. De eerste stenen zeedijk werd aangelegd omdat er elk badseizoen meer vreemdelingen kwamen.
De bereikbaarheid werd doorslaggevend. In 1868 werd de spoorlijn Brugge-Blankenberge doorgetrokken tot Heist. Kort daarna verschenen hotels als Pavillon du Phare, het Kursaal en Hotel de la Plage. Heist wilde zich ook duidelijker tonen als badplaats en gebruikte later de naam Heist-aan-zee om verwarring met Heist-op-den-Berg te vermijden.
De cijfers tonen hoe snel het ging. Tussen 1870 en 1880 steeg het aantal zeebaden van 2.582 naar 23.531. In 1880 kwamen 3.859 toeristen naar Heist.
Knokke werd ontdekt via de duinen
Knokke kwam op een andere manier in beeld. Toeristen trokken vanuit Heist op ezeltjes door de duinen naar het dorp. De vuurtoren van Knokke, aan het einde van de Zeeweg, was daarbij een trekpleister.
Rond die vuurtoren ontstonden de eerste eenvoudige toeristische zaken, zoals Au Congo, Pavillon du Phare en de Marguerite. In 1883 verscheen de eerste badkar op het strand van Knokke. Een jaar later stonden er al vier.
Ook Knokkenaren zagen kansen in het opkomend toerisme. Hotel Prins Boudewijn opende in 1885 aan de Lippenslaan. Het Grand Hotel volgde in 1890 aan het Van Bunnenplein. Kunstenaars rond Alfred Verwee behoorden tot de eerste verblijfsgasten. Verwee zag de mogelijkheden van Knokke en kocht samen met Dumortier en Van Bunnen gronden langs de Lippenslaan.
Tram, villa’s en wafels maakten het groter
Vanaf 1890 veranderde Knokke sneller. Bij hotel Le Cygne, op het huidige Maurits Lippensplein, kwam een tramstation voor de stoomtram uit Brugge. Later konden toeristen met een paardentram verder naar zee. Die werd in 1912 vervangen door een elektrische tram richting het Zoute.
Langs de Lippenslaan kwamen de eerste villa’s. De weg naar Heist werd gekasseid. De stenen dijk werd eerst tussen 1890 en 1895 aangelegd en in 1908 doorgetrokken tot het Zoute.
Ook Moeder Siska werd een vaste naam voor bezoekers. Vanaf 1893 gingen toeristen er wafels eten. Zo groeide toerisme niet alleen door grote infrastructuur, maar ook door plekken waar mensen graag terugkwamen.
Duinbergen, het Zoute en Albertstrand groeiden mee
Het Zoute werd vanaf 1908 georganiseerd uitgebouwd door de Compagnie du Zoute. De Elisabethlaan werd aangelegd, de dijk verlengd en urbanist Stübben maakte het basisplan. De Compagnie voerde in 1910 een grote reclamecampagne met brochures, postkaarten en advertenties in Engelse kranten.
Ook Duinbergen kreeg vorm. In 1901 opende Hotel de Chalet. Twee jaar later volgde hotel Pauwels. Waterleiding en riolering werden aangelegd en tegen 1908 stonden er al ongeveer tachtig villa’s.
Na de Eerste Wereldoorlog ging de ontwikkeling verder. De trein reed vanaf 1926 tot Knokke. In 1930 kwam het Casino. Het Zegemeer, de Pavillon du Lac en later hotel La Reserve gaven de badplaats een nieuwe uitstraling.
Van verblijfstoerisme naar dagtoerisme
De oorlogen en crisissen braken het toeristische ritme, maar stopten de ontwikkeling niet. Knokke telde in 1939 nog 161 hotels en pensions, samen 5.953 kamers. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen Engelse, Duitse, Franse en Nederlandse toeristen terug.
Toch veranderde het soort toerisme. Belgen trokken vaker naar het buitenland voor hun grote vakantie. Aan de kust groeide het dagtoerisme, terwijl het aantal hotelkamers daalde. In 1968 telde Knokke nog 3.207 hotelkamers.
De richting lag vast: minder hotels, meer tweede verblijven, appartementen, villa’s en dagbezoekers. Zo groeide uit badkarren, ezeltjes en spoorlijnen een kustgemeente die steeds opnieuw moest zoeken hoe ze bewoners, bezoekers en ruimte met elkaar verzoent.
Met dank aan kenniscentrum van het Hey Museum




