De geschiedenis van de Nieuw Hazegraspolder draait meestal rond grote namen als de hertog van Croÿ en landmeter Philippe François Lippens. Maar achter dat immense inpolderingsproject zat ook een jonge bedrijfsleider uit Oost-Vlaanderen die jarenlang het dagelijkse leven in de nieuwe polder organiseerde: Jacobus Francies de Meijer.
Vanaf 1785 stond hij in voor het beheer van een landbouwbedrijf van bijna 150 hectare in het Hazegras in Knokke. Hij hield nauwgezet bij wie op het land werkte, hoeveel paarden ingezet werden, welke gewassen werden gezaaid en hoeveel bier of jenever er na zware werkdagen werd uitgedeeld aan de arbeiders.
Zijn bewaarde notitieboeken geven vandaag een uitzonderlijke inkijk in het leven in de jonge polder aan het einde van de achttiende eeuw.
Een nieuwe polder aan zee
De Nieuw Hazegraspolder ontstond nadat honderden hectaren schorren in Knokke werden ingedijkt. Het gebied werd drooggelegd volgens plannen van Philippe François Lippens, die toen één van de belangrijkste specialisten in Vlaanderen was op vlak van inpolderingen en waterwerken.
Toen de polder in 1784 droogviel, besloot Lippens zelf grote delen van het nieuwe land uit te baten. Daarvoor had hij iemand nodig die de dagelijkse werking kon leiden. Die taak kwam terecht bij de jonge Jacobus Francies de Meijer.
De Meijer was afkomstig uit een landbouwersfamilie uit de streek van Assenede en Sas van Gent. Hij groeide op op grote polderhoeven en kende het leven op zware kleigrond van jongs af aan. Dat maakte hem de geschikte man om in het Hazegras een volledig nieuw landbouwbedrijf uit te bouwen.
Hofstede Lanckriet in het Hazegras
In de beginperiode waren de omstandigheden in de polder nog primitief. Eerst verbleven arbeiders en personeel in houten keten langs de Paulusdijk, de huidige Schapersdijk.
Later liet Lippens een grote hofstede bouwen op kavel 3 van de polder. Dat is de huidige hoeve Lanckriet langs de Hazegrasstraat. De bouw gebeurde tussen 1786 en 1788 en werd tot in detail beschreven in de notitieboeken van De Meijer.
Daarin noteerde hij betalingen aan metselaars, timmermannen, wagenmakers en smeden uit Westkapelle en de streek rond Knokke. Er kwamen nieuwe schuren, paardenstallen, een koestal, een regenbak en zelfs glas-in-loodramen.
Rond het huis werden grachten gegraven, bomen geplant en een dreef aangelegd. Het toont hoe snel het kale polderland veranderde in een volledig landbouwbedrijf.
Tientallen arbeiders op het land
De notitieboeken maken duidelijk hoe groot het werk in de Nieuw Hazegraspolder was. Tijdens oogstperiodes werkten soms tientallen mannen en vrouwen tegelijk op de akkers.
Voor het snijden van gerst in 1788 noteerde De Meijer alleen al 61 namen van arbeiders. Sommigen werkten “in compagnie”, waardoor de echte groep nog groter was. Na afloop van het zware werk werd jenever geschonken, een gewoonte die toen blijkbaar vanzelfsprekend was.
Op de hoeve liepen vijftien tot zeventien paarden rond. Er waren vaste knechten, meiden, koewachters en losse dagarbeiders actief. Veel arbeiders kwamen uit Knokke, Westkapelle en omliggende dorpen.
Ook lokale ambachtslieden speelden een belangrijke rol. Smidsen, metselaars, wagenmakers en strodekkers uit Westkapelle werkten regelmatig op de nieuwe hofstede.
Brugge als economische draaischijf
De oogsten uit het Hazegras gingen grotendeels richting Brugge. Graan en koolzaad werden per schip of met paard en wagen naar de stad gebracht, waar ze verkocht werden op de markt.
De Meijer noteerde nauwkeurig alle kosten onderweg: tolgelden, bruggelden, poortgeld en zelfs het eten en drinken voor de voermannen.
Tegelijk kocht hij in Brugge allerlei materiaal voor het bedrijf aan: touwen, spijkers, teer, bier, gereedschap en zelfs een staand horloge voor de hoeve.
Die administratie toont hoe sterk het Hazegras economisch verbonden was met Brugge en de omliggende dorpen.
Van Knokke naar Zeeuws-Vlaanderen
Na zes jaar als kastelein in Knokke besloot De Meijer een eigen landbouwbedrijf uit te bouwen. In 1792 vertrok hij naar een grote hoeve in de Autrichepolder bij Westdorpe.
Later verhuisde hij opnieuw, deze keer naar Hoofdplaat in Zeeuws-Vlaanderen. Daar groeide de familie De Meijer verder uit tot een bekende landbouwersfamilie in de polders.
Maar de jaren in het Hazegras bleven bepalend voor zijn loopbaan. De ervaring die hij in Knokke opdeed met het beheer van een enorme nieuwe polderhoeve gaf hem de kennis en het netwerk om later zelfstandig succesvol te boeren.
Zijn notitieboeken blijven vandaag één van de meest bijzondere getuigenissen over het dagelijkse leven in het jonge Hazegras aan het einde van de achttiende eeuw.
Met dank aan Paul de Meijer




