Tussen Brugge en Het Zwin verschenen na de Tiendaagse Veldtocht verschillende militaire posten, fortjes en wachtplaatsen. Ze moesten de toegangen naar Brugge en Gent beschermen tegen een mogelijke inval vanuit Zeeuws-Vlaanderen. Voor inwoners en landbouwers in Knokke, Damme en de polders betekende dat jaren van soldaten, opeisingen, klachten en onzekerheid.
Van sluizen naar militaire posten
In de eerste maanden na de Belgische Revolutie kreeg de streek weinig militaire aandacht. Dat veranderde na de Tiendaagse Veldtocht van augustus 1831 en de gevechten rond de Hazegrassluis, de Bakkersdam en verder naar het oosten.
De militaire overheid wilde daarna de grensstreek beter beveiligen. Het plan was duidelijk: de toegangen naar Brugge en Gent moesten worden bewaakt. Vijandelijke detachementen mochten niet zomaar de rijke noordelijke gemeenten binnentrekken om belastingen te innen.
Daarom kwam er langs de Zeeuws-Vlaamse grens een reeks halfvaste versterkingen. In de sector Knokke-Brugge ging het onder meer om het Hazegras, Schapenbrugge, de Zwarte Sluis, Sint-Donaas, Damme en Brugge.
Aan het Hazegras werd een compagnie gelegerd. Tussen het Hazegras en Damme stonden wachten op korte afstand van elkaar. Zo moest elke vijandelijke beweging vanuit Sluis snel bekend raken bij de reserves in Damme.
Hazegras werd het zwaarste punt
Het Hazegras groeide uit tot een belangrijk steunpunt. De Franse batterij, later Fort Napoléon genoemd, werd versterkt. Ook het oude Hazegrasfort werd gedeeltelijk opnieuw ingericht.
Maar de omstandigheden waren slecht. Er was geen drinkwater. De ligging in de polders was ongezond. Veel soldaten kregen te maken met polderkoortsen. In februari 1832 kwam het garnizoen in opstand omdat het al meer dan twee maanden zonder aflossing op de afgelegen post verbleef. Daarna werd de bezetting vermoedelijk om de veertien dagen afgelost.
Ook de inwoners voelden de militaire aanwezigheid. Boeren uit Knokke weigerden in november 1831 nog aarde aan te voeren met paard en wagen, omdat de wegen veel te drassig waren. Later klaagde het gemeentebestuur over de lasten die de gemeente en landbouwers moesten dragen voor het onderhoud van de soldaten.
Brugge, Damme en de polders kregen verdedigingswerken
In Brugge werden buiten de Dampoort, Kruispoort en Gentpoort aarden batterijen aangelegd. In februari 1832 kwamen daar kanonnen op. Ook tussen de Dampoort en de Kruispoort werden later stukken geschut geplaatst. Aan Fort Lapin kwam een redoute.
Damme kreeg opnieuw aandacht als vestingstad. De oude vestingen werden hersteld. Bij het kanaal moest een verdedigingswerk het gat in de vestinglijn opvangen.
Verder waren er posten aan Schapenbrugge, de Nachtegale, de Zwarte Sluis en Sint-Donaas. Die plekken lagen niet toevallig gekozen. Ze hadden te maken met wegen, sluizen, vaarten en de toegang tot het poldergebied.
Alles bouwen, afbreken en opnieuw bekijken
In 1834 volgde een nieuwe beoordeling. Veel werken bleken te haastig en te zwak gebouwd. Het leger had intussen meer vertrouwen gekregen en vond niet langer overal borstweringen nodig.
Brugge moest zijn tijdelijke verdedigingswerken opnieuw laten verdwijnen. Ook de redoute aan Fort Lapin werd geslecht. Damme bleef behouden. Sint-Donaas werd te groot bevonden voor een eenvoudige observatiepost. De Franse batterij in Knokke bleef wel belangrijk genoeg. Het oude Hazegrasfort moest verlaten worden omdat herstel te duur en te moeilijk was.
Toch bleef het Hazegras niet helemaal uit beeld. Op 26 augustus 1834 kreeg het zelfs koninklijk bezoek van Leopold I.
Nieuwe oorlogsdreiging in 1838
In 1838 kwam de aandacht opnieuw terug. Door nieuwe oorlogsdreiging moest kapitein Hockel bekijken hoe de sector opnieuw in staat van verdediging kon worden gebracht.
De Franse Batterij in Knokke werd weer in orde gezet. Van het oude Hazegrasfort bleven vooral een redoute, een lunette en een verbindende courtine over. Schapenbrugge kreeg een blokhuis en een retranchement. Aan de Zwarte Sluis kwam een wachthuis met een kleine versterking.
Het blijft opvallend hoe vaak de militaire plannen veranderden. Wat in 1831 werd opgetrokken, werd in 1834 deels afgebroken en in 1838 opnieuw bekeken. Voor de streek tussen Brugge en Het Zwin betekende dat jarenlang soldaten, werken en militaire druk, zonder dat het systeem ooit echt overtuigend werd.
Na het vredesverdrag van april 1839 werden de versterkingen aan de Zwarte Sluis en Schapenbrugge geslecht. Het Hazegrasfort bleef nog tot 1854 in de begroting van het Ministerie van Oorlog voorkomen. Wat daar vandaag nog van overblijft, zit vooral in het landschap: dijken, hoogtes in weiden, oude muren en herinneringen aan een streek die even frontgebied werd.
Broeder Gaëtan c.f.x.



