Verhalen van hier: wat er in 1709 allemaal in het huis van een molenaar in Oostkerke stond
Een lijst met potten, stoelen en lakens klinkt niet meteen als een spannend verhaal. Toch is de inboedel van de molenaar van Oostkerke uit 1709 precies het soort bron waar lokale geschiedenis plots heel tastbaar wordt. In een staat van goed – opgesteld na het overlijden van Maria Van der Meersch – wordt het complete huishouden van een molenaarsgezin in de polderstreek opgetekend.
Het gaat om een windmolen ten westen van de kerk van Oostkerke, met woonhuis en stal, op cijnsgrond. De tekst maakt duidelijk dat dit geen armoedig bestaan was: de molenaar was zelfs deken van de Sint-Kwintensgilde. Tegelijk laat de inventaris zien hoe dicht het dagelijkse leven toen bij het praktische lag.
Zes kinderen en een huis vol spullen
Maria Van der Meersch liet bij haar overlijden zes minderjarige kinderen na: twee dochters uit een eerste huwelijk en vier dochters uit haar huwelijk met Joseph De Smidt. Precies “ten voordele van deze zes minderjarige kinderen” werd een inventaris opgemaakt.
En die inventaris leest vandaag bijna als een wandeling door het huis.
In de keuken stonden elf stoelen, twee tafels, kasten en zelfs een bed bij het haardvuur. Er was keukengerei als tangen, een rooster, koperen pannen en een kapmes. Opvallend: naast al dat huisgerief wordt ook een ‘claustock’ genoemd – een springstok om over grachten te springen. Een klein detail dat ineens het polderlandschap van toen mee in beeld zet.
Bedden, schilderijtjes en een geweer
In de kamer noteert de bron een ligbed, een wieg, gordijnen en bedgordijnen. Er zijn ook “enkele schilderijtjes” – wat suggereert dat decoratie en status niet alleen voor de stedelijke elite waren.
Tussen de huisraad duikt zelfs een ‘fusicque’ op: een geweer. Het herinnert eraan dat het platteland niet alleen draaide om werk en huishouden, maar ook om veiligheid, jacht of de nood om zich te kunnen verdedigen.
Voorraad, dieren en werkmateriaal
In de kelder lagen tonnen en kuipen; op zolder onder meer een wafelijzer, korenwan en graanzeef. In de stal stonden een varken en een zwarte melkkoe, naast hennen en brandhout. Zelfs “twintig pond varkensvlees” wordt expliciet vermeld.
Dat alles samen toont hoe een molenaarsgezin ook een klein bedrijf was: voedsel, graan, opslag en werktuigen hoorden bij elkaar.
Kleren zeggen ook iets
De inventaris somt zelfs kleding op. De vrouw had onder meer rokken, een korset, voorscho(o)ten, halsdoeken en mutsen. De man bezat vesten, mantels, een hoed, een pruik en meerdere hemden. Op de schattingsdag (16 juli 1709) was hij volgens de bron gekleed met een slechte vest en een gele ondervest.
Ook dat is lokale geschiedenis: niet de grote veldslag of de naam van een edelman, maar het detail van wat mensen droegen, bewaarden en nodig hadden.
Waarom dit verhaal in de krant werkt
Dit soort inventaris is een zeldzame blik achter de voordeur van de polderstreek rond 1700. Het geeft lezers uit Oostkerke en Damme een concreet beeld van het dagelijkse leven: hoeveel stoelen een gezin had, wat er in de keuken lag, hoe men voedsel stockeerde en welke woorden men gebruikte voor dingen die we vandaag niet meer kennen.
Precies daarom past het in Verhalen van hier: het is een klein document met grote verbeeldingskracht.
- HEY Kenniscentrum (heemkundige tekst):





